homehomehomehomehomefotosteksten en akkoordenhomelinkscontact
  

Zo’n heerlijke avond
Na zo’n heerlijke dag
Sterren in je ogen
Maan in je lach
Is dit een prachtnacht of niet?
Zie je de nachtpracht?


Prachtnacht



Een alledaagse passieEen alledaagse passie
April 1996

Een essay geschreven door Chris Keulemans, gepubliceerd in Een alledaagse Passie – 20 essays over popmuziek door uitgeverij De Balie (ISBN 9066171685, 1996).

Regenen doet het toch
Afgelopen zomer reisde ik met de bus naar Halfweg. Het begon die dag al vroeg in de morgen te regenen, en om vijf uur zag het er niet naar uit dat daar ooit een einde aan zou komen. Het landschap buiten kreeg iets van het terrein rond de landingsbanen van een vliegveld. Landschap dat er ligt omdat er nu eenmaal iets moet liggen.
Naast me zat Carolien te vertellen over de afgelopen nacht. Zij woont nog in Amsterdam. Ze had pijn in haar hoofd. Jongens met lang haar en onvast karakter, daar valt ze op. Ik hou ze allang niet meer uit elkaar. Als Carolien een kater heeft krijg ik heimwee naar de keuken van een bepaald soort feestjes. Haar stem sleept zich door haar rommelige verhalen heen, en ik vind mezelf terug in het eerste daglicht, aan een tafel vol glazen wijn met drijvende peuken. Uit de huiskamer klinkt nog wat losse muziek. Naast me staat een onbekende eieren te bakken. Carolien zit bij het raam, haar gezicht net zo bleek als de ochtend buiten. Het is april, de toekomst laat nog even op zich wachten, en ik ben een van die jongens.
De bus hield ergens voor Halfweg stil, en toen stonden we in de regen. Het festivalterrein was een moddervlakte: biertenten langs de zijkant en pas in de verte, tegen het podium aan, een paar honderd onder paraplu’s en plastic verscholen mensen. We liepen naar de ingang en ik haalde uit mijn zak de fles whisky die ik meehad tegen de kou. De muziek woei op ons af en ik wilde erheen. Maar aan het hek hielden ze ons tegen; glas mocht het terrein niet op. De fles moest ter plekke leeg. Ik klokte de whisky naar binnen. De muziek stond kaarsrecht en helder onder de lage wolken. Ik pakte Carolien vast. Daar kwam iemand met kartonnen bekers en dat was de oplossing, de drank raakte verdund met regendruppels terwijl wij de vlakte op zeilden, op weg naar De Dijk, die daar stond te stampen boven de paraplu’s.

Hier in Almere heb ik weinig vrienden wonen. De mensen zijn hier nog niet zo lang. De andere vaders bij de kleuterschool, die groet ik wel, maar verder dan grapjes over de kinderen komt het zelden. Omdat de rarnen hier al zo doorzichtig zijn houden we de rest maar liever voor ons. Het is vreemd. De reistijd naar mijn werk is korter, sinds ik hier woon, maar de afstand naar mijn vrienden veel groter. Naar muziek luister ik nu in mijn eentje. Als Marieke en de kinderen naar bed zijn zet ik de koptelefoon op en ga voor het grote zwarte raam staan op de eerste verdieping. Het kijkt over de volle breedte uit op zwakverlichte, meetkundige vormen in slaap. Daarboven, en boven de onzichtbare polder achter de nieuwe huizen, hangt de muziek. Veel van mijn collectie draai ik niet meer. Bepaalde muziek klinkt alleen goed als ze door een voorgrond van stemmen heenkomt, zoals in een kroeg of een volle kamer. Hier klinkt zo kaal, te dichtbij. Mijn geliefde Marley Live bij voorbeeld. Of de belangrijkste nieuwe muziek. dEUS, dat gaat niet in Almere. Wat overblijft is bijna altijd vierkwartsmaat. Drummers die eerst drie tikken op de hi-hat geven, en dan een harde op de snare. Een heel overzichtelijk systeem, precies aangesloten op een heleboel lichamen en zenuwstelsels die ik ken, ook op de mijne. Als de maat versnelt begin je vanzelf te springen, als hij vertraagt raak je introspectief. Daar ergens tussenin, midtempo, is mij het liefst. Het treingevoel, dat de ruimte voor je openligt en niemand je kan tegenhouden, is dan bijna onoverwinnelijk.

Als we een avond op bezoek gaan in Amsterdam raak ik wel eens met de andere man in gesprek over muziek. Namen van platen en optredens komen boven. Even voelt dat heldhaftig, maar dan kijk je rond naar het interieur dat je omsingelt en je voelt allebei de schaamte dat het niet helemaal zo gegaan is als je dacht toen je dronken, en opgewonden over de dronkenschap zelf, stond te pissen met je voorhoofd tegen een klamme muur ergens, tussen twee sets van Gruppo Sportivo door, bijna lichtgevend, dat dacht je zelf dan, van de sensatie dat je maar een paar jaar, nee een paar weken verwijderd was van het moment dat je zelf - Zelf wat? Wat eigenlijk? Nou ja, snelwegen, vliegvelden, studio’s, wolkenkrabbers, stadions, nachtclubs, dat soort dingen.

Ergens in de jaren tachtig is dat weggeglipt. Voor het eerst miste ik een nieuwe golf muziek. The Smiths herinner ik me als de eerste belangrijke popgroep die ik te laat opmerkte en pas in huis haalde toen ze al uit elkaar waren. Het leek me toen een incident. Ik concentreerde me op de avondcursussen die ik na mijn werk moest volgen, en lette even niet zo op muziek en vrienden. Ik dacht: die achterstand haal ik wel weer in. Maar dat gebeurde niet. Achteraf is 1985 het kanteljaar. Zonder het meteen te merken begon ik meer oude platen te draaien dan nieuwe. De vrienden die het alleen in de muziek zochten verdwenen langzaam, ruggelings uit mijn omgeving. Nieuwe termen als garage en house kende ik vooral van papier, de Vinyl doekte op en de Oor kocht ik misschien nog drie keer per jaar. Vreemd en eigenlijk ontnuchterend was het ook om te ontdekken dat revoluties zich herhalen. De beste platen van elke nieuwe golf bereikten mijn kamer ook als ik er geen moeite voor deed. Er was altijd wel iemand die ze op een bandje zette voor me. Ik hoefde niet mee te vechten om inch iets te winnen. Mijn liefde voor popmuziek veranderde langzaam van actief naar passief. Als ik nu The Smiths opzet, ‘s nachts voor het donkere raam, roepen ze heimwee op naar een tijd die ik nauwelijks heb meegemaakt: omdat ik hem onderging en niet opzocht.

De Dijk hoort bij geen enkele revolutie. Ze waren me dus nooit opgevallen, toen ik op een zondagmiddag in 1990 door het Vondelpark liep. Het was stralend weer en ik had dringend behoefte aan gezelschap. Bij het openluchttheater hoorde ik gejuich en gitaren, klauterde van achteren de tribune op en keek stomverbaasd om me heen. Al die mensen, en popjunkies waren het niet, kenden woord voor woord de liedjes uit het hoofd die ik daar voor het eerst hoorde. Een paar van de mannen op het podium herkende ik wel. Die zag ik op dinsdagochtenden door de stad fietsen, met een grauwe kop en het haar in pieken, over het stuur gebogen om iets liefs te zeggen in het oor van hun kind dat daar vanuit zijn stoeltje de dingen zat aan te wijzen. Ik dacht dat ze misschien iets bij Paradiso deden, technicus of klusjesman, want daar in de buurt kwam ik ze meestal tegen, maar het bleken de muzikanten zelf. Ze stonden wijdbeens in het zonlicht, en er sloeg een energie van ze af die me stil maakte en aan het denken zette. Ze waren ouder dan ik, maar hadden de goede broek nog niet gevonden: ze wiegden en kronkelden en probeerden zich er zonder handen uit te werken. De zanger kwam recht op ons af. Hij sprong in zijn gretigheid de hele wereld te omhelzen bijna van het podium. Een ondertoon van Hollandse zelfspot hield hem telkens net op aarde. De liedjes intussen denderden verder, strak en aanstekelijk, maar bijna alsof het daar niet om ging. Het ging om de vriendschap, de mensenliefde die er uit opsteeg. Ik dacht: deze mannen kun je op een camping zetten of in een stadion, het maakt ze niet uit. Ze bouwen een feestje en iedereen moet meedoen. Af en toe keken ze mijn kant op. Ze stuurden hun muziek naar me toe. Ik raakte er verlegen van, maar tenslotte stond ik mee te dansen op de vulkaan.

Niet veel later ontmoette ik Christiane, de goedlachse directeur van een kleine uitgeverij. Ik moest haar adviseren over een nieuwe cao, maar we raakten aan de praat over muziek. En over haar hartsvriendin Hanke, die doodging aan kanker. Die eerste gesprekken gingen eigenlijk steeds over de plotselinge ontdekking dat iets achter de rug is. Je bent door niemand gewaarschuwd en toch is het al voorbij. Christiane ging de schok te lijf met verhalen over vroeger. De krakerstijd: voorbijgaande liefdes met mannen en vrouwen, het bed een paar planken met een matras, een permanente, ook wet vrolijke woede op van alles. En ‘s nachts was ze roadie, achterin het busje van Stampij: de eerste versie van De Dijk. Ik veerde op, en vertelde haar over het Vondelpark. Toen was ze niet meer te stuiten. Snelwegverhalen, optredens in provincieplaatsen, halfvergeten namen en gezichten. Hoe meer ze er noemde, hoe duidelijker het werd dat die vroege jaren tachtig een tijd was van afvallers. Mensen werden gek, raakten in drugs verzeild of in zaken, verdwenen op wereldreis, trouwden met de verkeerde, stierven aan aids. Van de mensen die Christiane toen om zich heen had was er bijna niemand meer over en nu joegen de uitzaaiingen ook nog Hanke door het lijf.


*

Zelf verhuisde ik in 1992 naar Almere. Marieke was in verwachting van onze tweede, en ik hield Amsterdam voor gezien. Het vooruitzicht eens een straat uit te kunnen lopen en dan in de open ruimte te staan, dat trok me. Voor de zaak moest ik toch al steeds vaker de stad uit. Lange treinreizen brachten me dichter bij Holland. Ik hield ervan hoe het vlakke groen langzaam in beweging kwam en achteruit wegschoof, terwijl ik stilzat in de werkcoupé. Gelukkig verhuisde de muziek met ons mee. Alle opwinding en metaforen bleken in staat zich aan dit horizontale landschap aan te passen. Aan de afgemeten vlakken, de rijen populieren, windvlagen over nieuw land, lange sidderingen over het water van grijze meertjes. Op zomeravonden ga ik wel fietsen, met de walkman op, en de muziek vult de nieuwe ruimte: Van Morrison breidt zich uit over het groen, Willy DeVille bewaart zijn trots, Creedence dendert over de gele velden van het Flevoland. Iets van de dronken almacht uit de tijd van de klamme muren komt dan weer over me heen. Er zijn geen obstakels, niets staat het uitzicht in de weg. De muziek roeit met vaste slagen voor me uit, geen rimpel in de wind.

Op een avond belde Christiane op: of ik mee wilde naar Paradiso. Het jaarlijkse, al weken uitverkochte optreden van De Dijk. Wat we er precies hoopten te vinden vertelden we elkaar niet, maar zij had kaartjes gekregen omwille van de oude vriendschap en dus gingen we. De zaal was afgeladen. Ze hingen over de balustrades en klommen tegen het podium op. Allemaal jonger dan wij. Voor het eerst in mijn Paradisoleven zocht ik een plek aan de zijkant, iets hoger, om niet in de massa bekneld te raken. Toen de band eindelijk opkwam, bijna van de vloer getild door het gejuich, stond Christiane naast me te glimmen. Zelf zag ik niet veel meer dan dinsdagochtendvaders met gitaren. Mijn muzikale opvoeding zei dat ik populaire Nederlandstalige bands met gepaste ironie moest bekijken. Bovendien klonken ze, hier in de rokerige zaal nog meer dan in het Vondelpark, als een poldervariant op South-side Johnny and the Asbury Jukes, het simpele neefje van Springsteen. Dezelfde schetterende blazers, het orgel, de hoge klappen op de snaredrum. Hetzelfde oudejongetjesenthousiasme. En de hoge, onvaste tweede stem van de bassist was precies Miami Steve van Zandt. Maar al snel gebeurde er iets vreemds. De zaal veranderde in een oude locomotief. We zaten in het kolenhok van een stoomtrein. Het vuur laaide hoog op, de ijzeren wielen knarsten, de stampers en zuigers kwamen dreunend op gang en tenslotte stond het hele ding te schokken en te schudden. De zanger gooide zijn hemd open en het zweet stond op zijn bast. Aan zijn voeten krijsten de scholieren met hem mee. Ik zag hoe hij zijn liefde in bakken over ze uitgooide, maar ze wilden niet afkoelen. ledereen stond in brand. Ik ook, ik gaf me gewonnen, maar ik voelde hoe het dansen na twee stille jaren in Almere uit mijn lichaam was vertrokken en kon weinig anders doen dan goed kijken, breed grijnzen en klappen na ieder nummer, met mijn handen boven mijn hoofd. Toen daalde het volume. De bassist en de drummer zetten een wandelritme in, dat uitliep in een repeterende vraag: Mag het licht uit. Mag het licht uit. De zanger knielde en vroeg het steeds zachter. Tenslotte doofde het zaallicht werkelijk. Even was het ademloos stil. Toen knalden de spots weer aan, allemaal tegelijk, de band stond kaarsrecht overeind en het brulde uit duizend kelen: Mag het licht uit, als ik je in m'n armen sluit! En dwars door het refrein kwam een klassieke pianoriff aangezeild, recht uit de archieven van de E Street Band, diep in de popgeschiedenis verankerd. Ik stond aan de grond genageld, mijn hoofd vol snelwegen, vliegvelden, wolkenkrabbers, al dat soort dingen. En er was nog een lied. Niet snel, niet langzaam, iets over een uitgestorven stad. Ik hoorde het voor het eerst, maar herkende het meteen. Alsof het van binnen kwam en niet van boven, waar de band nu moeiteloos opstoomde. Ik stak vanzelf mijn vuist de lucht in en hield hem daar, net zo lang tot de muziek voorbij was. Na afloop zocht Christiane haar oude vrienden op. Ik volgde haar door de catacomben. De mannen lagen op oude sofa’s en dronken echt bier met hun echtgenotes. Christiane begroetten ze verrast en hartelijk. Over de vloer scharrelden de kinderen. Ik stond wat aan de zijkant en verwonderde me opnieuw dat popmuziek, met al die liedjes over individueel verdriet, kan leiden tot dit soort algemeen welbehagen.

Popmuziek is een mooie kunstvorm omdat het populairste vaak ook het beste is. Het grote publiek maakt zelf de normen voor echte kwaliteit en groeit ermee op. De mooiste liedjes worden altijd wereldberoemd. Soms onmiddellijk, soms duurt het even, maar de liedjes die overblijven zijn altijd de mooiste. Toen popmuziek nog rock ‘n’ roll heette hadden bands een binnenkant en een buitenkant. Van buiten waren ze rebellen en daagden ze de orde uit. Ze verstoorden haar en schreeuwden er dwars doorheen. Maar van binnen ging het om de eenheid: ze waren kameraden, verloren elkaar niet uit het oog, wisselden kleine, voor de buitenstaander niet te volgen grapjes uit onder het spelen. De Dijk, toch stevig in de rock ‘n’ roll geworteld, keert de binnenkant naar buiten. Ze rebelleren nergens tegen, maar dragen juist de kameraadschap uit. Iedereen mag op hun feestje komen. Ze staan voor bet beste in de Hollander: robuust, eerlijk, betrouwbaar, voorspelbaar. Ze zijn geinig en progressief — om een lief, ouderwets woord voor vooruitstrevend te gebruiken. Daarom is De Dijk de enige band van wie je accepteert dat ze op bevrijdingsdag met een helikopter over Nederland vliegen om neer te strijken voor korte optredens in Zierikzee, Leeuwarden en op het Museumplein. Van hen accepteer je dat, omdat hun hart overal bloedt, waar ze ook landen, en ze nergens een broek zullen vinden die helemaal past.

Nu zijn de jaren negentig half voorbij, en ik heb nauwelijks in de gaten dat ze al begonnen zijn. Ik weet nog steeds niet waar ze over gaan. Alsof ze om Almere heen lopen. Het is een decennium zo haastig en mobiel dat niemand je mist als je zelf even de stilte opzoekt. Vorige week moest ik een middag in Amsterdam zijn. Ik liep over de Sarphatistraat, op weg naar de bank, en zag overal kleine affiches met het cijfer 8o. Toen ik ging kijken bleken ze reclame te maken voor eighties dansfeesten. Ik vond het een wonderlijk idee. Nostalgie naar een tijd die eigenlijk niet bestaan heeft. Een tijd die ik niet bewust heb meegemaakt. Waarom zou je gaan dansen op muziek die alleen maar schaamte en onscherpe herinneringen oproept? Pas op het Frederiksplein zag ik mijn vergissing in. Een tijd zonder vrienden is ook een echte tijd. En muziek is niet alleen van waarde in gezelschap. Ik kon het destijds niet weten, maar muziek verhuist mee en hoort nu dus ook bij dit leven van lage nieuwbouw en schone toiletten. Muziek verhuist mee. Ook in een lege ruimte verliest ze haar betekenis niet. Ze geeft er juist de klank aan die er blijkbaar hoorde. Ik toonde mijn pasje aan de portier van de bank, stapte in de lift en besefte: ook de popmuziek zelf wordt ouder.


*

Het was meteen raak. Ik sleepte Carolien achter me aan en verontschuldigde ons tegen de keurige mensen onder hun paraplu’s. Mensen zoals ik. Halfwegmensen. Nog eens vijfendertig jaar en ze zijn dood. De Dijk stond in de regen te spelen en ik moest erheen. Die slagzinnen zaten nu ook in mijn kop gebeiteld, slijtvast, niet van hun plaats te krijgen. Wakker in een vreemde wereld. Ik kan het niet alleen. Steeds sneller donker, steeds vroeger laat. Ik was oprecht gelukkig toen ik de zanger weer zag. De opluchting dat zijn lichaam nog steeds zo goed in elkaar stak. Een beetje Jim van der Woude, een beetje Tati. Lange benen, hoekige schouders en die ontzettend aardige kop. Vast van plan om ook vandaag weer een feestje te bouwen met al die onderling verwisselbare Halfwegmensen. Dat riep hij ook: ‘Zullen we maar gaan dansen? Regenen doet het toch!’ Het werkte meteen. Aan zijn voeten begonnen de eerste paraplu’s te huppelen. Op de blazers was ik niet verdacht. Die maakten het af. Vorstelijke, tot tranen toe ontroerende, onder de melodie hangende lijnen. Ze komt terug. Nergens goed voor. Langgerekt waar de zang stuiterde, staccato als hij klaagde en huilde.
We hadden die enorme kartonnen bekers whisky bijna leeg, toen dat ene nummer kwam. Het orgel zette vloeiend in, mijn vuist hing meteen in de lucht. Voor me zag ik een oudere man, een gezinshoofd met baardje en thermosfles, iemand die zich nog herinnerde wat je mee moet nemen bij festivalbezoek, spontaan in huilen uitbarsten. ‘Het regent in de straten / er is niemand in de stad / want niemand van mijn vrienden nam me mee’. Ik had het sinds Paradiso vaker gehoord en allang in mijn hart gesloten. Maar erg goed had ik nooit op de woorden gelet. Nu hoorde ik ze pas echt. De stad is overvol en in beweging. De mensen zijn drukbezet. Maar iedereen die hij er zou willen opzoeken is verdwenen. Namen en gezichten duiken op: het werd ze te veel, ze zijn als stoker op een vrachtschip meegegaan, of in de war geraakt, of dood. Ze zijn verdwenen, en niemand van zijn vrienden nam hem mee. ‘Het regent in de straten. Er is niemand in de stad.’ Het orgel golfde zo laag en diep dat de aarde onder mijn voeten meegaf. Nu liepen mij zelf de tranen over de wangen, ik wist niet om wie, om Christiane, om al die mensen die zij nooit meer zou zien, om de mijne, om het grote zwarte raam en de leegte daarachter. Ik pakte Carolien nog steviger vast en kon geen woord meer uitbrengen toen ze vragend naar me opkeek.









   1981 Eerste concertposter
   1982 Release info
   1983 Buttons
   1984 Foto: Bandauto
   1985 Big Shot and his Rocking Guns
   1987 Persfoto: Wakker in een vreemde wereld
   1990 Persfoto: New York
   1991 Persfoto: Nooit genoeg
   1993 Foto: Mooi Mooi Mooi
   1993 Persfoto: Het Paard
   1993 Condooms
   1994 De Dijk Live Platina
   1995 5 Mei Festival
   1995 Kaart: Melkboer
   1996 Een alledaagse passie
   1997 Moskou
   1998 Wij Alexander
   1998 Kaart: Het beste van II
   1998 Kaart: Het beste van
   1998 Flyer: Free Concert
   1999 Concordia
   1999 Persfoto: Nieuwsbrief Leden
   1999 Howlin at the moon
   1999 Flyer: Huub van der Lubbe
   2000 Persfoto: Als het golft
   2000 Persfoto: Waar is iedereen?
   2000 Persfoto: USA Austin Texas
   2000 Pinkpop
   2001 SXSW
   2001 Kaart: R.I.P.
   2001 R.I.P.
   2002 Flyer: Concordia
   2002 Flyer: 20 Jaar De Dijk
   2003 Flyer: door
   2004 Flyer: Ahoy'
   2006 Kaart: Jubileumconcert 25 jaar
   2006 Flyer: Zullen we dansen
   2006 Flyer: Hart van De Dijk
   2006 Gedicht ter gelegenheid van 25 jaar De Dijk
   2014 HMH